AR op Maat (Ambulant) Jeugd en Jongvolwassen

Inleiding
ARopMaat is ontstaan vanuit de praktijk van een Justitiële Jeugdinrichting, waarin gewerkt werd met jeugdigen die behandeling kregen opgelegd. Dit heeft geleid tot het ontwikkelen van ARopMaat, een behandelprogramma waarbij praktijkervaringen werden gecombineerd met de meest recente wetenschappelijk inzichten. In ARopMaat zijn interventie-onderdelen geïntegreerd waarvan verschillende meta-analyses uitwezen dat zij recidiveverlagend werkten bij jeugdigen met (ernstige) agressieproblematiek. Zo is de interventie gebaseerd op de RNR principes (risk-need-responsivity; Andrews & Bonta, 2010). Volgens deze principes is het van belang dat de intensiteit van de behandeling (frequentie en duur) is afgestemd op het recidiverisico (risicoprincipe), de behandeldoelen gerelateerd zijn aan de criminogene risicofactoren (behoefteprincipe) en dat de behandeling is afgestemd op de leerstijl, het motivatieniveau, de ontvankelijkheid voor de interventie en de specifieke mogelijkheden en beperkingen van de jeugdige (responsiviteitsprincipe).

ARopMaat bestaat verder grotendeels uit een intensief individueel behandelaanbod (Landenberger & Lipsey; Lipsey, Landenberger, & Wilson, 2007; McQuire, 2008) en werkt met elementen uit de cognitieve gedragstherapie (CGT; Lipsey, 2009; Litschge, Vaughn, & McCrea, 2010). De belangrijkste CGT-elementen zijn het kunnen herkennen van cognitieve vervormingen (irrationele gedachten) in combinatie met het aanleren van helpende gedachten, het werken aan probleemoplossingsvaardigheden (Blake & Hamrin, 2007) en het toepassen van dramatherapeutische technieken, waaronder rollenspellen (Lipsey, 2009). Naast het bieden van inzicht, wordt er veel nadruk gelegd op doe-opdrachten, onder andere aan de hand van aangepaste mindfulness-oefeningen (gericht op bewustwording, ontspanning en het focussen van de aandacht). Er is veel aandacht voor het verbeteren van executieve functies, met name zelfregulatie (Syngelaki, e.a., 2009). Dit gebeurt door te werken aan stressreductie (Deffenbacher, 2011), een verbeterde impulscontrole en emotieregulatie (Landenberger & Lipsey, 2005). Om de responsiviteit (ontvankelijkheid) voor de interventie te vergroten, wordt er geprobeerd belemmerende factoren, zoals demotivatie, wantrouwen, aandachtstekort en een geringe impulscontrole, positief te beïnvloeden. Voor het verminderen van demotivatie en wantrouwen is het aangaan van contact, het opbouwen van een werkbare behandelrelatie en het valideren (empathie tonen en het onder woorden brengen wat de ander voelt en denkt; Linehan e.a., 1999) essentieel. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan het vergroten van het geloof in eigen kunnen (Bandura, 1997).

Doelgroep
ARopMaat Jeugd is bedoeld voor jongeren met (ernstige) agressieproblematiek van 12 tot 16 jaar met een IQ boven de 80 of 16 tot 24 jaar (IQ-score > 70). Het agressieve gedrag is zichtbaar op minimaal twee levensgebieden. Bij de doelgroep is sprake van een matig, middelhoog of hoog recidiverisico op gewelddadig gedrag. De jeugdigen zijn vanwege hun delict- en/of probleemgedrag in aanraking gekomen met politie en/of de Raad voor Kinderbescherming en/of CJG / Jeugdzorg en/of er is sprake van (dreigend) schooluitval. ARopMaat voor Jeugdigen richt zich naast de jeugdige ook op de opvoeder(s) van de jeugdige.

Doel
Het primaire doel van ARopMaat Jeugd en JoVo is tweeledig. Enerzijds gaat het om het verminderen of stoppen van agressief gedrag in het heden. Dit betekent onder andere dat gevoelens en gedachten die leiden tot agressie afnemen. Anderzijds dient de kans op recidive (terugval) van gewelddadig gedrag in de toekomst te zijn verminderd.

Aanpak
ARopMaat Jeugd en JoVo is grotendeels een individuele behandeling die gebruik maakt van een cognitieve gedragsmatige aanpak en het structureel aanbieden van doe-oefeningen (dramatherapeutische technieken en aangepaste mindfulness oefeningen) waarbij continu aandacht is voor het motiveren. Voor het leveren van maatwerk wordt een set standaard en optionele modules aangeboden. De duur van de interventie is afhankelijk van het leertempo en de ernst van de problematiek en kan variëren van vier maanden tot maximaal 1,5 jaar (ambulante versie) en zes maanden tot 2,5 jaar (residentiële versie). Een individuele sessie vindt minimaal eens per week plaats en duurt minimaal een uur. De intensiteit kan echter oplopen tot drie keer per week als het gaat om een (zeer) hoog recidiverisico. De versie voor Jongvolwassenen heeft ook een groepsmodule, deze is vooral gericht op het verminderen van cognitieve vervormingen gerelateerd aan de thema’s wraak, en het omgaan met beledigingen. Bij de Jeugdversie kunnen enkele modules (Assertiviteit, Conflicthantering en Emoties de baas) ook in groepsverband worden aangeboden. Een groepsbijeenkomst duurt anderhalf uur.

Materiaal
Er bestaan diversie handleidingen, zoals een theoretische handleiding, een programma- en managementhandleiding voor de behandelaar en managers van een instelling. Verder is de inhoud van het programma voor de jongeren en de behandelaar beschreven in een serie standaard en optionele modules. Er bestaan ook videofragmenten die ter ondersteuning van de behandeling gebruikt kunnen worden. De behandeling bestaat uit de volgende modules:

  1. Startmodule
  2. Het verminderen van stress en boosheid (optioneel)
  3. Impulscontrole (optioneel)
  4. Beheersingsvaardigheden
  5. Invloed van het denken
  6. Groepsmodule (alleen versie voor jongvolwassene)
  7. Emoties de baas (optioneel)
  8. Waarnemen en interpreteren (optioneel)
  9. Assertief gedrag
  10. Conflicthantering (optioneel)
  11. Gezin in beeld (optioneel intramuraal / standaard ambulant!) en/of partner in beeld (ambulant)

Onderbouwing

De criminogene risicofactoren die kunnen leiden tot het ontwikkelen van agressief gedrag worden verklaard vanuit het transactionele ontwikkelingsmodel (Sameroff & Fiese, 2000). De theorie is gebaseerd op de gedachte dat noch het individu noch de omgeving alleen de ontwikkelingsuitkomst bepaalt. Dit betekent dat chronische agressie volgens deze theorie het product is van een voortdurende wisselwerking tussen het individu en zijn omgeving (Granic & Patterson, 2006). Zo laten diverse onderzoeken zien dat chronisch agressief gedrag een lange voorgeschiedenis heeft en samenhangt met een combinatie van risicovolle individuele (biologische en psychologische factoren, zoals cognitieve en emotionele processen) en gezins- en omgevingsfactoren (gezin, netwerk en leeftijdsgenoten).

Randvoorwaarden

  1. Per instelling wordt een programmaverantwoordelijke (PV) aangesteld die verantwoordelijk is voor de programma-integriteit. De PV volgt jaarlijks minimaal twee PV-dagen;
  2. Per instelling zijn minimaal twee ARopMaat-behandelaren actief;
  3. Behandelaren hebben de basisopleiding gevolgd;
  4. Er wordt maandelijks intervisie gevolgd;
  5. De ARopMaat-behandelaren bieden aan minimaal twee cliënten per week ARopMaat.

Terug